FIT Digitaal

een interactief taalprogramma voor de zinsbouw

Liesbeth Schlichting en Trudi de Koning

 

Kinderen met taalproblemen hebben vaak moeite met het spreken in goede zinnen.

De meeste kinderen – ook de meertalige kinderen – ontwik­kelen de zinsstruc­turen van het Nederlands in een be­paalde, bijna vaste, volg­orde. In FIT Digitaal leren we met taalspelletjes de kinderen die zinsstructuren aan.

Het in spelvorm oefenen van taal zorgt ervoor dat het spreken direct een functie heeft en dat kinderen het leuk vinden om mee te doen.

De oefeningen zijn te downloaden in zes pdf’s.

Liesbeth Schlichting
Trudi de Koning
2015

veel plezier met FIT Digitaal

 

1. Wat is FIT Digitaal?

 

FIT Digitaal is een bewerking van FIT, Functionele Imitatie van Taalstructuren1 en TenT, Taalachterstand en Taalverwerving2. FIT Digitaal is een interactief taalprogramma voor kinderen met een achterstand in de zinsbouwontwikkeling. Het programma is evidence-based en kan toegepast worden door logopedisten, taalcoaches en remedial teachers.

De doelgroep is kinderen die het Nederlands als eerste of tweede taal verwerven en daarbij problemen hebben met de zinsbouw3,4,5. In aangepaste vorm kan het programma gebruikt worden voor volwassen tweede taalverwervers, kinderen met een verstandelijk beperking6,7,8, volwassen afasiepatiënten9,10 en volwassenen met een verstandelijke beperking11.

In FIT Digitaal komt het leren van zinnen systematisch aan de orde. Het programma betreft 86 grammaticale zinsstructuren die stuk voor stuk een leerdoel vormen. Elke structuur wordt in een oefenset in vier of meer taalspelletjes aangeleerd. De 86 oefensets hebben een eigen nummer in FIT Digitaal: het FIT-nummer.

Kenmerkend voor het programma is dat het oploopt in moeilijkheidsgraad: de grammaticale structuren zijn ingedeeld in zes Niveaus. Het eerste Niveau is geschikt voor kinderen die nog maar één woordje zeggen, of nog helemaal niets. Het hoogste Niveau, Niveau VI, biedt spelletjes op het taalniveau van Nederlandse vierjarige kinderen. In principe kan het programma in de gegeven volgorde doorlopen worden, nadat het juiste instapniveau bepaald is.

FIT Digitaal bevat in elke oefenset een beschrijving van vier taalspelletjes en een werkplaat. Eén van de vier spelletjes wordt gespeeld aan de hand van deze werkplaat. De drie overige spelletjes worden uitgevoerd met eenvoudig concreet materiaal, zoals modeldieren, puzzelstukjes, kralen en poppetjes die in de meeste scholen en logopediepraktijken aanwezig zijn. Twee van de vier taalspelletjes zijn specifiek beschreven voor groepjes van drie tot zes kinderen. Alle vier spelletjes zijn met enige aanpassing geschikt om met één kind of met een groepje te oefenen.

De ervaring is dat kinderen gemotiveerd zijn om mee te werken aan de taalspelletjes, omdat ze graag handelend bezig zijn. Het uitvoeren van de handelingen stelt aan motorisch normaal ontwikkelde kinderen weinig eisen. Het werken met FIT Digitaal kan op verschillende wijzen geëvalueerd worden, onder meer door dynamische diagnostiek.

 

2. Uitgangspunten FIT Digitaal

 

2.1 Volgen van de normale taalontwikkeling

In FIT Digitaal volgen we de normale taalontwikkeling om de behandeling zo effectief mogelijk te laten verlopen. De meeste kinderen ontwik­kelen zinsstruc­turen in een bijna vaste volg­orde. Voor kinderen tot vier jaar wordt deze volgorde beschreven op de TARSP profielkaart12,13.Het werkwoord staat bijvoorbeeld bij heel jonge kinderen in de infinitief (het hele werkwoord), zoals in auto pakken. Daarna gaan kinderen zinnetjes zeggen in de tegenwoordige tijd en­kelvoud: die is mooi, ik ga die pak­ken; later gebruiken ze ook het meer­voud van de tegenwoordi­ge tijd: ze zien de auto, en nog later de voltooide tijd zoals ik heb die gepakt en de verleden tijd: toen pakte ik die.

Kleine grammaticale stapjes vormen in FIT Digitaal de leerdoelen. We werken telkens in de zone van naaste ontwikkeling. Als je een structuur aan het kind wil aanleren waar het kind grammaticaal nog niet aan toe is, zal het kind die structuur niet oppakken. Het werkt dus niet goed om een kind zinnen aan te leren die voor het kind te hoog gegrepen zijn. Het volgen van de normale zinsontwikkeling is ook voor kinderen die een tweede taal verwerven de meest efficiënte leerlijn gebleken.

2.2 Taalleren met handelen en spreken

Elke grammaticale structuur wordt in vier taalspelletjes aangeleerd met telkens een ander zinnetje: de doeluiting. De doeluiting wordt in samenhang met een handeling aangeboden.Taal en handelen vormen een functionele eenheid, ze horen bij elkaar. Bijvoorbeeld: de doeluiting daar komt ie, in Niveau 3, FIT-nummer 29: L (leerkracht/logopedist/leidster) en het kind rollen beurtelings een bal naar elkaar toe, telkens zeggend: daar komt ie. De kinderen hebben plezier in het overnemen van de handeling en koppelen daar vanzelf de doeluiting aan. Het imiteren van de doeluiting heeft voor het kind dus een functie, het is betekenisvol.

2.3 Herhalen en automatiseren

Het kind imiteert de uiting en de handeling van de logopedist of leerkracht en deze sequentie wordt telkens her­haald. In de gewone kindertaalverwerving komt herhaling veel voor. Kinderen ‘oefenen’ voor zichzelf bepaalde structuren, woorden of klankcombinaties die ze aan het leren zijn. Voor kinderen met een taalachterstand is herhaling een absolute noodzaak om zich een nieuwe structuur eigen te maken. De herha­ling vormt dan ook één van de peilers van de methode FIT Digitaal. In de praktijk blijkt dat kinderen de eenvoudige handelingen van de taalspelletjes, zoals het stoppen van fiches in een soort spaarpot, heel graag herhalen. De meeste taalspelletjes kunnen 20-30 keer herhaald worden waardoor automatisering van de zinsproductie tot stand komt.

 

3. Instapniveau voor behandelplan

 

Welk niveau moet een kind hebben om met FIT in zinnen te leren spreken?

Het kind moet een bepaald niveau van communicatieve vaardigheid hebben; het moet dus toe zijn aan het leren spreken in woorden en zinnen. Daarvoor moet het ontwikkelingsniveau minimaal dat van een kind van 15 maanden zijn en moet het kind laten merken dat het wil communiceren. Als aan deze voorwaarden voldaan is, kun je met kinderen die nog niet spreken, beginnen bij Niveau 1 en het programma verder volgen.

Voor een kind dat al wel spreekt zoeken we naar de zone van naaste ontwikkeling en sluiten we dus aan bij het zinsniveau in de gesproken taal van het kind. De bedoeling is dat het kind juist die grammaticale structuren krijgt aangeboden die we bij een normale taalont­wik­ke­ling als eerste zouden verwachten. Een voorbeeld: een kind zegt spontaan poes we. Dan bieden we aan poes is weg of poes ook weg. Het is de bedoeling dat de kinderen die nieuwe uitingen met moeite kunnen nazeggen. Dat wijst er op dat het goede leerdoel is gekozen. We zorgen ervoor niet te hoog in het programma in te stappen, omdat bij een te moeilijke doeluiting de motivatie van de kinderen kan verminderen. Dit geldt in het bijzonder voor kinderen met spreekangst.

Vaststellen van beginniveau

Onderstaand schema van FIT Digitaal geeft drie methodes om het instapniveau te bepalen: door observatie, door een test af te nemen, of door de spontane gesproken taal te bestuderen. Dit wordt hieronder per Niveau van FIT Digitaal uitgewerkt. De Test voor Zinsontwikkeling maakt deel uit van de Schlichting Test voor Taalproductie-II14, 15

 

Niveau I, FIT-nummer 1 – 13

-Observatie: instappen in Niveau I als de kinderen nog geen Nederlands spreken of minder dan 70 verschillende woorden kennen. Aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan.

  • het cognitieve ontwikkelingsniveau van 12‑15 maanden moet bereikt zijn;
  • de kinderen moeten enige klanken kunnen produceren;
  • de kinderen moeten in staat zijn tot non‑verbaal beurtge­drag;
  • de kinderen moeten in staat zijn tot non‑verbale imita­tie.

-Schlichting Zinsontwikkeling: instappen in Niveau I bij ruwe score 0 of 1.

 

Niveau II, FIT-nummer 14 – 18

-Observatie: instappen in Niveau II als kinderen ten minste 70-90 verschillende losse woorden zeggen. Daarvoor kunnen de ouders een lijst maken met de woorden die het kind zegt. De actieve woordenschat van het kind kan ook worden vastgesteld met de Lexilijst Nederlands16 die thuis door de ouders ingevuld wordt. Hiervan worden zowel Vorm A als Vorm B ingevuld om een compleet beeld te krijgen van welke woorden het kind kent.

-Schlichting Zinsontwikkeling: instappen in Niveau II bij ruwe score 1 of 2.

-TARSP: instappen in Niveau II bij pogingen tot tweewoorduitingen in de gesproken taal.

 

Niveau III, FIT-nummer 19 – 39

-Observatie: instappen in Niveau III als de gesproken taal van het kind zinnen van twee woorden, en af en toe zinnen van drie woorden bevat.

-Schlichting Zinsontwikkeling: instappen in Niveau III bij ruwe score 3.

-TARSP: instappen in Niveau III als van Fase 2 bijna alle structuren in de gesproken taal voorkomen.

 

Niveau IV, FIT-nummer 40 – 61

-Observatie: instappen in Niveau IV als de gesproken taal van het kind zinnen van drie woorden en af en toe zinnen van vier woorden bevat.

-Schlichting Zinsontwikkeling: instappen in Niveau IV bij ruwe score 9.

-TARSP: instappen in Niveau III als van Fase 2 bijna alle structuren in de gesproken taal voorkomen.

 

Niveau V, FIT-nummer 62 – 73

-Observatie: instappen in Niveau V als de gesproken taal van het kind geregeld zinnen van vijf woorden bevat.

-Schlichting Zinsontwikkeling: instappen in Niveau V bij ruwe score 12.

-TARSP: instappen in Niveau V als in de gesproken taal de volgende structuren van Fase 4 voorkomen: de twee mededelende zinsstructuren, minstens 6-7 woordgroepen, de voornaamwoorden van Fase 4, en van de Woordstructuren minstens MvTT (meervoud tegenwoordige tijd).

 

Niveau VI, FIT-nummer 74 – 90

-Observatie: instappen in Niveau VI als de gesproken taal van het kind geregeld zinnen van zes woorden bevat.

-Schlichting Zinsontwikkeling: instappen bij Niveau VI bij ruwe score 15.

-TARSP: instappen in Niveau VI als in de gesproken taal de volgende structuren van Fase 5 voorkomen: twee van de drie mededelende zinsstructuren, minstens één vraag, en minstens BepBvZn (Bepaler-Bijvoeglijk woord-Zelfstandig naamwoord) van de woordgroepen.

 

4. Werken met de taalspelletjes

 

4.1 Beschrijving van de taalspelletjes

De beschrijving van de taalspelletjes is te vinden in de zes pdf’s voor de Niveau I-VI. Aan het begin van de pdf van een Niveau staat de inhoud en een lijst met het gebruikte spelmateriaal van dat Niveau. De bijlage met hulpwerkbladen wordt in de zevende pdf gegeven. Voor elk van de 86 zinsstructuren zijn er oefensets met vier taalspelletjes. Het nummer van de oefenset (FIT-nummer) staat links bovenaan de pagina. Naast het nummer staan de naam van de grammaticale structuur en de afkorting van de structuurnaam op de TARSP profielkaart.

Bij de beschrijving van de taalspelletjes staat eerst de Uiting genoemd. Dat is de doeluiting, de zin die we de kinderen gaan aanleren. Daarna wordt het benodigde Materiaal vermeld, dan wordt de Handeling van het taalspelletje beschreven en vervolgens wordt de Uitvoering door Kind en de logopedist of leerkracht (L) toegelicht.

Voorbeeld: een spelletje van FIT-nummer 30: Hulpwerkwoord + infinitief (= hele werkwoord)

Uiting die kan zwemmen hier wordt de doeluiting aangegeven
Materiaal playmobilpoppetjes + bakje water hier wordt het benodigde materiaal genoemd
Handeling de poppetjes zogenaamd laten zwemmen hier wordt de handeling beschreven
Uitvoering kind en L krijgen beiden een aantal poppetjes. L laat een poppetje zwemmen en zegt daarbij: die kan zwemmen. Dan laat het kind een poppetje zwemmen, zeggend: die kan zwemmen.Vervolgens is L weer aan de beurt. hier wordt precies beschreven hoe handeling, taaluiting en beurtgedrag verlopen

 

4.2 Exact naspreken of naspreken met woordverandering

Bij een deel van de taalspelletjes wordt de doeluiting van L precies nagesproken. Voorbeeld: in FIT-nummer 30 laat L een autootje rijden, zeggend: die moet rijden. De kinderen doen hetzelfde en zeggen ook precies hetzelfde. Bij een aantal spelletjes kan het kind een ander woord kiezen. Voorbeeld: bij FIT-nummer 39 zegt L: ik kan een paard pakken. Daarna zegt het kind bijvoorbeeld: ik kan een koe pakken omdat er verschillende dieren zijn waar L en kind uit kunnen kiezen.

Bij een aantal taalspelletjes staan mogelijke Extra variaties genoemd. Soms staat hier aangegeven hoe men de uiting iets moeilijker kan maken, soms wordt alternatief materiaal gesuggereerd. Het oefenen van de variatie van een bepaalde structuur bevordert het leerproces.

4.3 Werken met één kind

Voor een individueel behandelplan voor de zinsbouw ga je als volgt te werk. Eerst wordt het beginniveau bepaald. Vervolgens maak je een keuze voor één of meer zinsstructuren. Daarbij volg je zo veel mogelijk de gegeven volgorde van de FIT-nummers. Voor elke gekozen zinsstructuur kies je een taalspelletje, bijvoorbeeld als volgt.

Voorbereiding

  • Kies twee of drie verschillende leerdoelen. Voor een kind in Niveau IV selecteer je bijvoorbeeld Gesplitst samengesteld werkwoord, Bezittelijk voornaamwoord + Zelfstandig naamwoord en Vraagwoord (+ een of twee zinsdelen). Kies vervolgens een taalspelletje per zinsstructuur.
FIT-nummer doeluiting Voorbereiding materiaal
52 Gesplitst samengesteld werkwoord Hij heeft een muts op werkplaat met kabouters uitprinten
53 Bezittelijk voornaamwoord + zelfstandig naamwoord Ik zie mijn hand een handspiegel klaar leggen
54 Vraagwoord een of twee zinsdelen Wat is dat? kleine voorwerpen, zoals potlood, pen, ring enz. klaarleggen

 

Werkwijze

De werkwijze bij FIT-nummer 53, ik zie mijn hand geven we als voorbeeld.

  • Het kind doet wat L doet, en zegt wat zij zegt. L kijkt naar haar hand in een handspiegel en zegt: ik zie mijn hand. Dan is het kind aan de beurt. Het kind doet hetzelfde en zegt ook ik zie mijn hand. L kijkt nu naar iets anders in de spiegel, bijvoorbeeld: schoen, ring, vinger, mond, neus en zegt telkens: ik zie mijn … Ga verder met dit spelletje en herhaal 20 of 30 keer.
  • Oefen dezelfde leerdoelen met een of meer andere spelletjes. Bij het ene kind werk je langer met een bepaalde structuur dan bij het andere.

Aandachtspunten

  • FIT Digitaal werkt met kleine stapjes. De noodzaak hiervoor verschilt per kind. In principe creëer je leersituaties waarin voor het kind slechts één nieuw element aanwezig is. Dat betekent dat FIT Digitaal werkt met een laag lexicaal niveau, dus met bekende en eenvoudige woorden. Daarnaast bevat een doeluiting in Niveau IV geen andere elementen uit Niveau IV of elementen uit een hoger Niveau.
  • Ook binnen een bepaald Niveau is het aan te bevelen in de gegeven volgorde te werken, omdat de eerste taalspelletjes binnen een Niveau makkelijker zijn dan de laatste.
  • Andere kenmerken van de taalleersituatie zijn ook van belang. Het cognitieve niveau van het taakje moet gemak­kelijk beheersbaar zijn voor het kind. Zolang bijvoorbeeld het be­noemen van de kleuren nog enige in­spanning kost, zullen we kleuren niet opnemen in een taals­pelletje.
  • Bij het opzetten van het behandelplan pas je keuze van taalspelletje aan het kind aan. Voor het ene kind dat graag met autootjes speelt kun je auto’s als materiaal vermijden, voor een ander kind zal je juist met autootjes gaan werken om de motivatie te bevorderen.
  • Dezelfde taalspelletjes kunnen we herhalen met een variatie. In plaats van een spiegel gebruiken we bij FIT-nummer 53 een lege wc-rol. L kijkt door het rolletje naar de schoen en zegt: ik zie mijn schoen, en geeft dan het rolletje aan het kind. We dagen daarbij het kind uit naar een ander voorwerp of lichaamsdeel te kijken en zelf met een variatie te komen.
  • Hoe preciezer het kind een doeluiting kan uitspreken, hoe beter het kind ook de grammaticale structuur beheerst. Toch kan het ook zo zijn dat de articulatie van een kind zwak is en onduidelijk, maar dat de structuur wel beheerst wordt. Dan is het van belang om in de gaten te houden dat het op dat moment gaat om de taalstructuur en niet om de articulatie.
  • Voor bepaalde kinderen is een programma met veel imitatie, zoals FIT Digitaal, niet aangewezen. Dit geldt vaak voor kinderen met een stoornis in het autistisch spectrum die zonder betekenis zinnen herhalen en daarin blijven hangen. Voor kinderen met zulke problemen selecteren we de spelletjes waarbij het kind net iets anders zegt dan L, zoals in FIT-nummer 36, waarbij afwisselend een gele, een rode en een groene dop gepakt wordt.
  • Voor kinderen met spreekangst kan koppeling van handelen en spreken gunstig uitwerken. Een extra laag instapniveau is dan van belang.

4.4 Werken in groepjes

FIT-Digitaal is geschikt om in kleine groepjes de zinsbouw in de spreektaal te oefenen.

Werkwijze

  • Bij elk FIT-nummer is er een werkplaat. Het taalspelletje bij de werkplaat is voor groepjes beschreven. We geven als voorbeeld FIT-nummer 51: Stam van het Werkwoord + t, met de werkplaat van jarige kikker met als doeluiting: jij krijgt een cadeautje. De werkwijze is als volgt.

De kinderen in het groepje en L hebben allemaal een paar legosteentjes. Dat zijn de cadeautjes voor de jarige kikker. L begint. Zij legt een legosteentje neer voor de kikker op de werkplaat en  zegt: jij krijgt een cadeautje. Het eerste kind geeft zijn steentje aan de kikker, en zegt ook: jij krijgt een cadeautje, en het volgende kind ook weer jij krijgt een cadeautje en zo verder.

  • Is de doeluiting en/of het spelletje voor een of meer kinderen nog te moeilijk, dan past L de werkwijze aan. Zij biedt een voorbeeld aan voor ieder kind afzonderlijk. Zij houdt dus zelf de legosteentjes in haar hand en legt een steentje bij de kikker, zeggend: jij krijgt een cadeautje. Het kind dat aan de beurt is krijgt een legosteentje en doet en zegt L na. Dan geeft L opnieuw een steentje aan de kikker, weer  zeggend: jij krijgt een cadeautje en krijgt het volgende kind een legosteentje om aan de kikker te geven.

Differentiëring

  • Hoe ga je om met het kiezen van de juiste structuur in een groepje? In de regel verschillen kinderen in een groepje qua taalniveau, ook al zijn het niveaugroepjes. Als de verschillen niet groot zijn, bied je gewoon alle kinderen dezelfde doeluiting aan. Het verschil zal dan hoorbaar zijn doordat het ene kind de doeluiting makkelijker overneemt dan het andere kind.
  • Om binnen het groepje te differentiëren kun je voor een of meer kinderen de uiting iets moeilijker maken, bijvoorbeeld door toevoeging van het woordje gaat of een ander hulpwerkwoord. Kijken we naar FIT-nummer 19, in Niveau III, dan zien we als eerste uiting: eend brood eten (Onderwerp+Werkwoord+Voorwerp/Complement). Voor een of meer kinderen kan de uiting dan uitgebreid worden: eend gaat brood eten.

Inpassing in taalprogramma

  • Bij het werken met groepjes van 3-6 kinderen past FIT Digitaal in een taallesje met verschillende taalaspecten zoals woordenschat, klankdiscriminatie en voorlezen. Op cluster-2 scholen en binnen het Speciaal Basis Onderwijs kan FIT Digitaal ook ingezet worden in het kader van taalprogramma’s die werken met kleine groepjes zoals De Taalgroepjes

 

5. Hoe spreken we bij de taalspelletjes?

 

Bij het aanleren van de grammaticale structuren houden we een bepaalde manier van spreken aan. Het volgen van de spreekaanwijzingen is essentieel voor het slagen van het werken met FIT Digitaal.

Spreekaanwijzingen:

  • Voor we met een taalspelletje beginnen leggen we even kort aan het kind uit wat we gaan doen. Tussen de doeluitingen door praten we bij voorkeur niet, behalve een enkele aanmoedi­ging. Op die manier ligt de doeluiting van L (leerkracht/logopedist/leidster/leerkracht) nog goed in het geheugen van het kind als het aan de beurt is. Vaak kan door een gebaar de beurt van het kind worden aangegeven zonder dat er tussen de uitingen gesproken wordt.
  • De taaluiting wordt in de meeste taalspelletjes precies zo aangeboden als we die van het kind terug willen horen. Voorbeeld: we zeggen bij FIT-nummer 43 daarin en bieden niet die moet daarin aan, omdat dat zinnetje nog te moeilijk zou zijn op dit niveau.
  • Bij de taalspelletjes wordt een zeer langzaam spreektempo aangehouden. Af en toe wordt een woord met nadruk uitgesproken, bijvoorbeeld als het kind een extra steuntje nodig heeft om het over te nemen. Het kan nodig zijn om een woord of een aantal woorden te verlengen of om pauzes in de uiting in te lassen.
  • Sterke intonatie en nadrukkelijke klemtoon gebruiken. Versterking van intonatie en klemtoon maakt het overnemen van de uiting makkelijker doordat de zin gedragen wordt door de zinsmelodie. Als de zinsmelodie van L te vlak is, neemt het kind de doeluiting niet makkelijk over.
  • Wanneer een kind een woord verandert hoeft dat geen bezwaar te zijn, als de zinsstructuur daardoor niet mee verandert. Bijvoorbeeld: L biedt aan deze kan ook en het kind geeft terug deze moet ook. L zal dan het kind volgen en verder gaan met deze moet ook. De grammaticale structuur, Onderwerp + Werk­woord + Bijwoorde­lijke bepaling, is dan namelijk hetzelfde.

 

6. Generalisatie en effectmeting van de behandeling

 

Generalisatie

De didactische invalshoek van FIT Digitaal is gericht op het aanleren en het automatiseren van zinsstructuren in de spreektaal. Het is de bedoeling dat de kinderen de structuren die zij in de behandeling geleerd hebben in het dagelijks leven gaan gebruiken. Om de generalisatie te bevorderen zijn in FIT Digitaal doeluitingen gekozen die letter­lijk of bijna letterlijk frequent gehoord worden in de dage­lijks gesproken taal waarbij bij de laagste niveaus soms een woord weggelaten wordt. Kinderen horen in hun omgeving dan dezelfde uitingen als zij geleerd hebben binnen de behandeling.

Effectmeting van de behandeling

Na een behandelperiode met FIT Digitaal is het aan te bevelen om het effect ervan te meten. Hoe beoordeel je de vooruitgang van het kind? Gaat het kind beter in zinnen spreken? Tijdens het oefenen luisteren we naar de manier waarop de kinderen de aangeboden uitingen overnemen. Dit geeft een aanwijzing voor een verbeterde zinsproductie. Op een gegeven moment wil men echter de voortgang ook meten. Dit kan op de volgende manieren.

-Observatie: We luisteren naar de gesproken taal van het kind, en vragen ouders en of leerkracht naar hun mening over het spreken van het kind.

-Schlichting Zinsontwikkeling: De Test voor Zinsontwikkeling uit de Schlichting Test voor Taalproductie-II13,14 is minder geschikt om de vooruitgang te meten omdat deze test, net zoals FIT Digitaal een sterk imitatiekarakter heeft. Het kind heeft zich dan de functionele imitatie zo eigen gemaakt dat de meting met de test niet meer betrouwbaar is.

-TARSP:  We maken een nieuwe opname van de gesproken taal en analyseren deze volgens TARSP.

– Dynamische diagnostiek: Bij dynamische diagnostiek vergelijken we het spreken van het kind aan het begin en einde van een behandelperiode. Dit doen we als volgt.

In dynamische diagnostiek vergelijk je het spreken voor en na de behandeling. Dit doet men door de uitvoering van de taalspelletjes voor en na de behandeling met elkaar te vergelijken. Dit kan door kort na de start van de behandeling een opname te maken, audio of audiovisueel, van het werken met een aantal taalspelletjes met verschillende zinsstructuren. Aan het eind van de behandelperiode wordt weer een opname gemaakt van het werken met dezelfde taalspelletjes. Het verschil in spreekgemak tussen beide opnames geeft dan een indicatie van de vooruitgang. We luisteren daarbij naar de manier waarop het kind reageert op de aangeboden zin. Is de doeluiting compleet? Is het tempo verbeterd? Is de articulatie zekerder?  Kan de doeluiting misschien met een woord uitgebreid worden?

Een andere mogelijkheid van dynamische diagnostiek is met een verteltaak. We nemen voorafgaand aan de behandeling een naverteltaak af, zoals bijvoorbeeld de Verhaaltest uit de Schlichting Test voor Taalproductie-II14 of de Busverhaaltest18. We vergelijken dan zinsbouw en vloeiendheid van spreken van de gesproken tekst voor en na de behandeling. Deze tests meten meer dan alleen zinsbouw. Het vergelijken van de testscores om het effect van de behandeling te meten is dus niet altijd zinvol. Eventueel kan de gemiddelde zinslengte gemeten worden.

 

7. Evidence-based

 

Er zijn een aantal pilotstudies gedaan naar de effectiviteit van de methode Functionele Imitatie van Taalstructuren.

  • Kinderen met taalontwikkelingsstoornissen(TOS/SLI)3

Zes kinderen met ernstige spraak-taalproblemen op een cluster-2 school kregen een behandeling met FIT. De leeftijd van de kinderen liep van 2;7 – 5;3 jaar. De behandelperiode besloeg 12 weken. De kinderen kregen in die periode 42 behandelingen van 20 à 30 minuten. Het materiaal waarmee werd geoefend werd aangepast aan de voorkeur van de kinderen. Zowel wat betreft hun zinsbouw als in hun niveau van  taalbegrip gingen zij vooruit. De gemiddelde Fase van TARSP ging ruim een Fase omhoog, van gemiddeld Fase 4 naar gemiddeld Fase 5,1: een vooruitgang van ruim zes maanden in taalleeftijd binnen drie maanden tijd. Op de Reynell Test voor Taalbegrip gingen zij ook vooruit: van gemiddeld leeftijdsequivalent 3;4 jaar naar gemiddeld 3;8 jaar.

  • Kinderen met een verstandelijke beperking5,6.

Zeven kinderen met een verstandelijke beperking, in de leeftijd van 7-12 jaar, kregen een taalbehandeling met FIT. Zij werden voor de taaltherapie geselecteerd door hun leerkracht. Hun mentale leeftijd, nonverbaal gemeten, varieerde van <1;10 - 6;1 jaar, hun taalbegripsleeftijd varieerde van 2;4 - 4;4 jaar en hun taalproductieleeftijd van 1;9 - 3;0 jaar. De interventie met FIT vond plaats gedurende drie maanden, met een frequentie van drie sessies van een kwartier per week in groepjes van twee of drie kinderen. De methode werd op verschillende punten aangepast aan de doelgroep. Na de behandeling werd de taalleeftijd van de behandelde kinderen vergeleken met kinderen zonder beperking. Zij bleken in drie maanden tijd een vooruitgang in taalleeftijd te hebben geboekt van negen maanden, zowel in taalproductie als in taalbegrip.

  • Tweede taalverwervers: Marokkaanse kinderen4,18 .

Tien Marokkaanse kinderen in de leeftijd van  4;1 – 5;9 jaar werden geselecteerd door hun leerkracht vanwege een vermoede extra achterstand in hun grammaticale ontwikkeling. Hun grammaticale niveau werd vastgesteld met de TARSP-screeningstest11 en bleek te variëren van Fase I – III. Vijf van de kinderen kregen taaltherapie met de methode FIT in twee groepjes van twee; het vijfde kind, in Fase I, kreeg een individuele behandeling. De overige vijf kinderen vormden de controlegroep. De interventie vond plaats in 13 sessies van 30 minuten binnen zes weken tijd. De vooruitgang van de behandelde kinderen was groter dan in de niet-behandelde groep. De vijf behandelde kinderen gingen gemiddeld van Fase 2,4 naar Fase 3,0, een vooruitgang vergelijkbaar met een vooruitgang van 4 maanden bij Nederlandse kinderen. De controlegroep ging vooruit van Fase 2,8 naar 3,0, een vooruitgang van een à twee maanden.

  • Volwassenen met een verstandelijke beperking (zwakzinnigen)10

Dit onderzoek betrof een pilotstudie naar de mogelijkheden van het gebruik van FIT bij 8 volwassenen in de leeftijd van 17 – 52 jaar  met een verstandelijke beperking. Drie van de proefpersonen waren in TARSP Fase I, één in Fase II, één in Fase III en drie in Fase IV. Men streefde naar een individuele behandeling van 30 sessies van 20 à 30 minuten waarbinnen ook de voormeting en de nameting plaats vonden. Het materiaal werd aangepast aan de proefpersonen. Bij 7 van de 8 proefpersonen werd het taalbegrip getoetst voor en na de behandeling. Zij gingen op een taalbegripstoets van een gemiddelde taalbegripsleeftijd van 2;8 naar 3;2 jaar. De zinsproductie werd bij alle 8 proefpersonen getoetst en ging van een gemiddelde zinsproductieleeftijd van 2;10 maanden naar 3;2 jaar. Opvallend was dat sommige proefpersonen helemaal niet vooruit gingen en anderen juist bijzonder veel.

  • Afasiepatiënten, studie 1

Dit onderzoek betrof de behandeling van 3 afasiepatiënten in leeftijd variërend van 47 –  64 jaar. Het eerste doel van de studie was het onderzoeken of de methode FIT geschikt was voor de behandeling van afasiepatiënten. Materiaal en doeluitingen werden aangepast aan de patiënten. De behandeling besloeg 20 sessies. Patiënt W was een vrouw met Broca-afasie waarvan de CVA  ruim een jaar voor de behandeling plaats vond. Zij ging vooruit van TARSP Fase III+ naar TARSP Fase IV+. Patiënt A was een man met Broca-afasie van wie de behandeling ongeveer een maand na de CVA  aanving. Hij ging vooruit van TARSP-Fase V naar TARSP-Fase VII waarschijnlijk voor een groot deel toe te schrijven aan spontaan herstel. Patiënt K was een man met een globale afasie, bij wie de CVA ongeveer een maand voor de behandeling plaats vond. De TARSP-Fase kon bij hem niet bepaald worden. Vergelijking van de profielkaart van de voormeting en de nameting wees op een vooruitgang in het aantal grammaticale structuren in zijn gesproken taal. Niet duidelijk is in hoeverre deze vooruitgang was te wijten aan spontaan herstel. De conclusie van het onderzoek was dat de methode FIT in aangepaste vorm bij deze groep patiënten bruikbaar was.

  • Afasiepatiënten studie 2

Dit onderzoek betrof de behandeling van vijf volwassen mannelijke agrammatische afasiepatiënten, in leeftijd variërend van 43 – 73 jaar. Het aantal jaren na hun CVA varieerde van 1 tot 20 jaar. De patiënten kregen twee maal per week thuis een behandeling. Een co-therapeut, meestal de partner, werd gevraagd de behandeling twee maal per week te herhalen. De behandeling duurde 12 weken. Materiaal en uitingen werden aangepast aan de persoonlijke situatie van de patiënt zodat de taaluitingen in de dagelijkse omgang gebruikt konden worden. De vooruitgang van de patiënten werd gemeten met de Akense Afasietest en met de TARSP taalontwikkelingsschaal. Alle patiënten gingen op meer dan een testonderdeel vooruit. De patiënten en hun co-therapeuten waren tevreden over de behandeling.

 

8. TARSP-profielkaart met de grammaticale structuren

Profielkaart-TARSP

 

9. Literatuurverwijzingen

 

  1. Verhulst-Schlichting, L. & de Koning, G. (1988). FIT: Functionele Imitatie van Taalstructuren. Taalprogramma voor kinderen met een grammaticale achterstand. Lisse: Swets en Zeitlinger.
  2. Schlichting, L. & de Koning, G. (1998). TenT, Taalachterstand en Taalverwerving: Taalprogramma voor kinderen met een grammaticale en een lexicale achterstand. Lisse: Swets en Zeitlinger (Herziene versie van Functionele Imitatie van Taalstructuren).
  3.  Hornsveld, M. & Lakeman, E.A. (1990). De Fit in de praktijk getoetst. Logopedie en Foniatrie, 62, 160-165.
  4. Carrión, E. en L. Schlichting (1994) Taalstoornissen: Taalontwikkeling van allochtone kleuters. Samenwijs 394-395.
  5. Schlichting, J.E.P.T. (1995) Syntactic remediation in early second language acquisition. In: Huls, E. & Klatter-Folmer (eds). Proceedings of the 2e Sociolinguïstische Conference at Lunteren. Anéla.
  6. Schlichting, L. & Smeets, K. (1992). Taalontwikkeling en Taaltherapie bij kinderen met een verstandelijke handicap. Tijdschrift voor Stem- Spraak- en Taalpathologie, 4, 204-215.
  7. Smeets, K. & Schlichting,L. (1992). Verstandelijke handicap, taalontwikkeling en taaltherapie. Speciaal Onderwijs, 65, oktober, 218-225.
  8. Helder, A. (1989). Verslag van een klein exploratief onderzoek naar de toepassing van FIT bij vier ZML-kinderen. Interne publicatie nr. 89-9. Instituut voor Foniatrie, Academisch Ziekenhuis Utrecht.
  9. Jessurun, M. & Fransen, A. (1991). Naäpen (De aangepaste FIT-methode voor volwassen afasiepatiënten). Afstudeerscriptie Hogeschool Nijmegen.
  10. Geuze, J. (1995). Interventie bij afatici volgens methode FIT. Afstudeerscriptie Algemene Letteren Universiteit Utrecht
  11. Zwart, E. & Schip, S. van (1995). Zwakzinnigen en FIT: een pilotstudie. Niet gepubliceerde studie van het Instituut voor Algemene Taalwetenschap: Universiteit van Utrecht.
  12. Schlichting, L. (1987/2014) TARSP Taal Analyse Remediëring en Screening Procedure, Taalontwikkelingsschaal van Nederlandse kinderen van 1‑4 jaar. Lisse: Swets en Zeitlinger/Amsterdam: Pearson.
  13. Schlichting, L. (1996): Discovering Syntax: a study in Dutch language acquisition. Nijmegen: Nijmegen University Press.
  14. Schlichting, J.E.P.T. & Lutje Spelberg, H.C. (2012). Schlichting Test voor Taalproductie-II voor Nederland en Vlaanderen. Houten: Bohn, Stafleu, Van Loghum.
  15. Schlichting, J.E.P.T. & Lutje Spelberg, H.C. (2003). A test for measuring syntactic development in young children. Language Testing, 20, 3, 241-267.
  16. Schlichting, J.E.P.T. & Lutje Spelberg, H.C. (2002). Lexilijst Nederlands: Een instrument om de taalontwikkeling te onderzoeken bij Nederlandstalige kinderen van 15 – 27 maanden in het kader van de vroegonderkenning. Lisse: Swets Test Publishers.
  17. Schlichting, J.E.P.T., Koning, G. de , Lindeboom, J.H.J. & Vogelaar, L.G. (1994). De Taalgroepjes, Raamwerk voor een gedifferentieerd taalprogramma voor kleuters Logopedie en Foniatrie 1, 20-26.
  18. Jansonius, K., Ketelaars, M., Borgers, M. & Heuvel, E. van den (2014). Renfrew Taalschalen Nederlandse Aanpassing (RTNA)-Set. Maklu.

 

 

 Downloads

 

   

   

   

 
FIT-Digitaal-Bijlage-met-hulpwerkbladen  

 

Copyright 2015 FIT Digitaal – Liesbeth Schlichting en Trudi de Koning –